Overdenkingen… vroeger spraken we over ‘preken’. Maar dat klinkt zo autoritair. Zo ‘gij zult…’. Overdenkingen hebben meer de sfeer van: ‘Wat zou deze tekst voor mij, jou, ons kunnen betekenen?’ In die sfeer heb ik ze geschreven. Er zijn twee soorten overdenkingen: die voor het verpleeghuis Rumah Kita, en die voor de Arboretumkerk, beide in Wageningen. De eerstgenoemde zijn wat traditioneler van aard.

Arboretumkerk, viering 15 september 2024, thema ‘Waarom?’
Waarom is er naast vreugde ook zoveel leed in de wereld? Waarom oorlogen, onderdrukking, hongersnood, klimaatrampen? En waarom is er soms in ons eigen leven zoveel leed? Waarom krijgen wij te maken met ziekten en beperkingen, met het verlies van dierbaren, en waarom krijgen we uiteindelijk ook te maken met het einde van ons eigen leven, hoezeer we er ook aan gehecht zijn? En waarom is er in ons leven soms ook zoveel ander leed zoals gevoelens van onvolkomenheid, onmacht, tekortschieten, frustratie? Waar is dat in vredesnaam goed voor? Het zijn vragen waar geen eenvoudig antwoord op te geven is.
Het Bijbelboek Job gaat eigenlijk helemaal over de vraag naar het waarom van het lijden. En over de vraag welke rol God in het lijden speelt. We zullen ons er vandaag over buigen.
Het boek Job gaat niet over een historische figuur. Daar zijn de Bijbelgeleerden het wel over eens. Het past in de wijsheidsliteratuur van de Bijbel. Het heeft veel weg van een sprookje. Wat er gebeurt is onwaarschijnlijk extreem. Het sprookje wil ons iets leren. Wat, daar proberen we achter te komen.
(dit is nog een rommeltje qua lay out). We gaan luisteren naar het verhaal van Job. Ik vertel het verhaal in mijn eigen woorden, in samenspraak met onze lector, die een aantal teksten uit het boek Job zal laten horen. We zullen ons proberen in te leven in Job, na te voelen wat hij meemaakt en reflecteren over wat de link kan zijn met ons eigen leven.
Er was eens een man, Job, die zeer vroom en rechtvaardig was. Ook was hij erg rijk: hij had tien kinderen en veel vee en andere bezittingen. Op een dag kwamen de bewoners van de hemel bij elkaar bij God. Ook Satan was erbij. De HEER vroeg aan Satan: ‘Waar kom je vandaan?’ Hij antwoordde: ‘Ik heb rondgezworven en rondgedoold op aarde.’ De HEER vroeg aan Satan: ‘Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad.’ Satan antwoordde de HEER: ‘Zou Job werkelijk zonder reden zoveel ontzag voor God hebben? U beschermt hem immers, evenals zijn gezin en alles wat hem toebehoort. U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt. Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.’ Toen zei de HEER tegen Satan: ‘Goed, met alles wat van hem is mag je doen wat je wilt, maar raak Job zelf niet aan.’
Wat doet Satan hier eigenlijk? Hij suggereert dat mensen God slechts dienen uit eigenbelang. Wat denkt u, zit daar een kern van waarheid in?
Satan maakte haast met de uitvoering van zijn plan. Op één en dezelfde dag verloor Job zijn vee door roof en brand, en stortte het dak van het huis van zijn oudste zoon in door hevig noodweer, terwijl al zijn kinderen daar samen aan het eten waren. Ze stierven allemaal onder het puin.
We weten dat dat kan gebeuren en ook op dit moment gebeurt op meerdere plekken. Maar kun je je überhaupt vanuit hier voorstellen wat dat met jouw zou doen? Wat je reactie zou zijn? Dit is de reactie van Job:
Toen stond Job op, hij scheurde zijn kleren, schoor zijn hoofd kaal en wierp zich neer in het stof. En hij zei: ‘Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.’ Ondanks alles zondigde Job niet en maakte hij God geen enkel verwijt.
Hoe is het mogelijk? Hij is verpletterd door het leed, overtuigd dat het van God komt, maar toch blijft hij God prijzen.
Maar dan gaat Satan nog een stap verder, en daagt God uit met het plan om Job ziek te maken. Satan is ervan overtuigd dat Job God dan zal vervloeken. En Satan krijgt toestemming voor dat plan. En zo zien we Job even later, overdekt met wonden, Job die zich krabt met een potscherf midden in het stof en het vuil.
Toen kwamen er drie vrienden van Job: Elifaz, Bildad en Sofar, om hem te troosten. Ze schrokken toen ze hem zagen, en ze bleven zeven dagen en nachten zwijgend naast hem zitten.
Ik denk dat dat Job goed heeft gedaan. Vrienden die meeleven, vrienden die bij je blijven als je het moeilijk hebt. Ook als die vrienden niets zeggen omdat er geen woorden bestaan die het enorme leed kunnen verzachten.
Dan begint Job te praten. Hij zegt dat hij dood wil. Dat past wel in een rouwproces. De rouwende voelt zich uitgesloten, losgemaakt van de wereld, want de wereld gaat gewoon verder en hij niet. Hij is met zichzelf alleen, niets of niemand boeit hem meer.
Maar dan gaan zijn vrienden ook praten. En zij sorten zich op de waarom-vraag.
Elifaz zegt:
Kan een mens zich gedragen zoals God het wil,
kan iemand zonder smet zijn voor zijn schepper?”
Zelfs in zijn dienaren stelt God geen vertrouwen,
ook bij zijn engelen bespeurt hij nog gebreken.
Hoeveel te meer dan bij de mens, wonend in zijn huis van leem,
met fundamenten in het stof.
Ofwel: niemand is perfect. Verklaart dat dan alles?
De tweede vriend, Bildad, zegt: je zult toch wel iets fout hebben gedaan, ook al weet je niet wat. Richt je tot God en smeek hem om genade, dan zal hij je toekomst weer ten goede keren. Maar Job zegt:
Al sta ik in mijn recht, een weerwoord heb ik niet,
ik kan slechts mijn rechter om genade smeken.
Als ik hem zou roepen en hij antwoordde,
zou ik niet geloven dat hij naar me luisterde.
Hij teistert mij als een stormwind,
zonder reden brengt hij mij steeds nieuwe wonden toe.
Hij laat me nooit op adem komen,
hij vervult mij met een diepe bitterheid.
Gaat het om kracht, dan is hij de sterkste,
gaat het om recht, dan zegt hij: “Wie daagt mij voor de rechter?”
Job gaat trouwens niet twijfelen aan het bestaan van God, zoals je vaak ziet bij mensen die onder zwaar leed gebukt gaan. Hij beklaagt zich bij God dat hij buitenproportioneel getroffen is. Zijn klacht weerklinkt vandaag de dag luid in de Gazastrook, bij zoveel mensen die onschuldig waren aan de brute aanval van 7 oktober in Israël. De oorlog die daarop volgde, eist buitenproportioneel veel slachtoffers. Slachtoffers die dan roepen: Waar hebben we dit aan verdiend? Alleen Allah kan ons nog helpen!
De derde vriend, Sofar, zegt: jij bent een dwaze zwetser, en Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, vraag nou maar om vergeving.
Maar Job zegt: ik ben niet gek! Ik heb gezien dat God de wijsheid en de kracht bezit. Maar wat hij verwoest, wordt niet meer opgebouwd. Hij richt zich vervolgens direct tot God en zegt:
Roep mij, dan zal ik antwoorden,
of ik zal spreken en dan antwoordt u.
Hoeveel wandaden en zonden heb ik begaan?
Laat me weten wat mijn overtredingen zijn!
Waarom verbergt u uw gezicht
en behandelt u mij als uw vijand?
Wilt u een opgewaaid blad opjagen,
een verdorde strohalm achtervolgen?
De vrienden van Job blijven ook daarna nog heel lang komen met veel gebruikte redeneringen om Jobs leed te rechtvaardigen, en stellen zich daarmee in feite moreel superieur op. En Job voelt zich dubbel verraden: eerst door God en daarna door zijn vienden. Maar toch weet hij niemand anders dan God zelf om hem vrij te pleiten.
Het is natuurlijk heel menselijk dat we een verklaring willen voor wat ons overkomt. Willen we niet allemaal dat het leven rechtvaardig is, dat het klopt, dat ons lijden ergens goed voor is? Dat de goeden beloond worden en de kwaden gestraft? Maar in de praktijk is het leven niet eerlijk. Je ziet soms dat het criminelen voor de wind gaat, terwijl mensen die hun uiterste best doen om goed en rechtvaardig te leven, door ongeluk getroffen worden. Onverdiend.
Er zijn drie punten in dit verhaal die we eigenlijk graag tegelijkertijd overeind zouden willen houden:
- God is almachtig.
- God is rechtvaardig.
- Job is een goed man.
Zolang Job gezond en welvarend is klopt het nog allemaal. Maar nu hij lijdt, moet één van de drie sneuvelen. Als God almachtig en rechtvaardig is, dan is Job een zondaar. Die positie nemen zijn vrienden in. Als Job goed is en God laat hem toch lijden, dan is God niet rechtvaardig. Die positie neemt Job in. Als God het leed niet heeft veroorzaakt, dan is God niet almachtig. Dat kan ook nog. Vul daar de duivel maar in.
Job houdt hoe dan ook vast aan zijn onschuld. En hij roept nogmaals God zelf aan:
Ik roep u om hulp, maar u antwoordt niet;
ik sta voor u, maar u wilt mij niet zien.
U bent wreed voor mij geworden,
met al uw kracht hebt u zich tegen mij gekeerd.
Uiteindelijk spreekt God rechtstreeks tot Job, vanuit een storm. En hij daagt Job uit:
Sta op, Job, wapen je;
ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.
Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
Vertel het me, als je zoveel weet.
En wie sloot de zee af met een deur,
toen ze uit de schoot van de aarde brak?
Ik hulde haar in een gewaad van wolken
en omwond haar met donkere nevels.
Ik legde haar mijn grenzen op
en sloot haar af met deur en grendelbalk,
en zei: “Tot hiertoe en niet verder,
dit is de grens die ik je trotse golven stel.”
Ken jij de wetten van de hemel,
kun jij jouw orde aan de aarde opleggen?
Kan jouw stem de wolken bevelen
om je met hun regenvloed te bedekken?
Kun jij de bliksems uitsturen,
zullen ze jou zeggen: “Wij staan klaar”?
Geeft God hiermee antwoord op de waarom-vraag? … Nee he? Eigenlijk zijn het treiterende vragen, hoe mooi geformuleerd ook. Kom op Job, doe jij eens wat ik allemaal heb gedaan? Wie ben jij eigenlijk helemaal?
De waarom-vraag blijft kwellend aanwezig op al die plekken waar mensen onverdiend lijden. Dat is ook het thema van het lied van Bob Dylan, The answer is blowin’ in the wind.
En dan geeft Job zijn verzet op:
En Job antwoordde de HEER:
Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden?
Ik leg mijn hand op mijn mond.
Ik heb eenmaal gesproken en zeg niets meer,
tweemaal – en doe er het zwijgen toe.
Let wel: Job zegt niet: ik had ongelijk. Hij kapituleert gewoon, hij valt stil na dit overweldigende schouwspel van de schepping: het heelal, de aarde, de zee. Wie ben je dan als mens ten opzichte van je schepper, wat klein en machteloos en onwetend ben je eigenlijk.
Maar God gaat nog verder: hij geeft hoog op van de kracht en onoverwinnelijkheid van een aantal machtige dieren, waaronder het nijlpaard en de krokodil; kan Job die dieren beheersen? En Job bindt nogmaals in, en zegt:
Eerder had ik slechts over u gehoord,
maar nu heb ik u met eigen ogen aanschouwd.
Daarom herroep ik mijn woorden en buig ik mij,
zoals ik hier zit in het stof en het vuil.
Job is heel erg onder de indruk dat God zich rechtstreeks tot hem richt. God heeft hem gezien. En ook al begrijpt hij Gods plan met hem niet, hij is diep geraakt.
Gezien worden in je ellende, ook al is er geen oplossing in zicht, dat is heel belangrijk. Je verhaal kunnen doen aan iemand die luistert. Kent u dat? …
Maar dan verandert er opeens iets. God spreekt de vrienden van Job bestraffend toe. Zij hebben onjuist over God gesproken, maar Job heeft juist gesproken. De vrienden moeten dieren naar Job brengen, zodat Job die kan offeren en voor ze kan bidden. In feite laat God Job hier weer uit zijn door rouw veroorzaakte isolement komen, hij moet zich weer met anderen verbinden. Dan kan hij weer gaan leven.
En dan…
Nadat Job voor zijn vrienden had gebeden, bracht de HEER een keer in het lot van Job en hij gaf hem het dubbele van wat hij eerder bezat.
Hee, hier moeten we even bij stilstaan. Dus Job krijgt alsnog gelijk van God? Zijn klacht was terecht? Hij heeft zijn lijden dus niet verdiend? Kennelijk. En heel belangrijk: daarmee zijn alle redenen die mensen verzinnen om de oorzaak van lijden te vinden, van tafel geveegd.
Maar de waarom-vraag blijft onbeantwoord. Of niet? Of is het antwoord gewoon: daarom! Omdat de wereld zo is als zij is! Shit happens!
John Polkinghorne, een natuurkundige die ook Anglicaans priester was, noemt kwaad en lijden de rafelranden van onze wereld:
- Wat betreft het kwaad: wij kunnen elkaar kwaad doen, en als we een vrije wil hebben is dit de prijs die we ervoor betalen.
- Wat betreft leed: de kans op een ernstige ziekte zoals kanker is de onvermijdelijke prijs voor leven, want mutatie van cellen maakt evolutie mogelijk, zonder dat zouden wij mensen er niet zijn, maar die mutatie kan ook verkeerd uitpakken en dan kunnen er tumoren ontstaan.
- En ook: natuurrampen zoals aardbevingen duiden erop dat ook de elementen in de aardkorst zich gedragen in overeenstemming met hun natuur.
Kwaad en lijden zijn daarmee de onvermijdelijke prijs van een schepping die anders mag zijn dan God, zegt Polkinghorne.
Het is dus niet omdat je het verdiend hebt, dat je ziek of gebrekkig wordt. Het is niet omdat mensen het verdiend hebben, dat ze gebombardeerd en uitgehongerd worden in een oorlog. Het is niet omdat je het verdiend hebt dat je partner of kind veel te vroeg overlijdt. Het hoort bij hoe de wereld is en hoe het leven gaat. Dat zit ook in het indrukwekkende betoog van God in de storm. Het leven is soms overweldigend. Het is niet eerlijk. De zon gaat op over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Maar dat betekent ook als je gelukkig, gezond of welvarend bent, dat dat niet alleen maar is omdat je het verdiend hebt. Het valt je toe. Dat is de boodschap van dit verhaal. Het leven is niet beheersbaar.
En soms komt er een verandering in een tragisch lot, zoals bij Job aan het einde van het verhaal. Maar vaak ook niet.
Dat einde van het boek Job lijkt ook weer heel erg op een sprookje, in de trant van: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. Je zou haast zeggen dat het een overbodig aanhangsel van het verhaal is, een goedkoop goedmakertje. Want zijn gestorven kinderen krijgt Job niet terug. En in zoveel gevallen in de echte wereld leven ze niet uiteindelijk nog lang en gelukkig. Het is een belediging aan allen die in de gaskamers gestorven zijn, een belediging aan al die mensen die hun dierbaren voorgoed verloren zijn. Of onherstelbaar gewond verder moeten.
En het argument: ‘De wereld is niet rechtvaardig, wen er maar aan’ dat kun je toch niet in het gezicht slingeren van mensen in Oekraïne en Gaza?
Archibald MacLeish schreef zijn eigen versie van het Job-verhaal in het toneelstuk met de titel J.B. Zijn slot wijkt radicaal af van het Bijbelboek. De hoofdpersoon J.B. gaat terug naar zijn vrouw en ze vinden de moed om samen verder te leven en een nieuw gezin te stichten. Hun liefde, en niet Gods mildheid, zal de kinderen voortbrengen die de plaats in zullen nemen van degenen die gestorven zijn. J.B. vergeeft God dat Hij geen rechtvaardiger universum heeft geschapen. Zijn vrouw zegt tegen hem:
‘Je wilde toch gerechtigheid? Die bestaat niet … er is alleen liefde.’
Maar hoe zit het dan met God? Als Hij niet kan of wil ingrijpen, hoe is onze relatie dan met hem? Ik heb een antwoord gevonden bij rabbi Harold Kushner. Hij verloor zijn zoon toen die 14 was, aan een erfelijke ziekte. Naar aanleiding daarvan heeft hij een boek geschreven met de titel: ‘Als ’t kwaad goede mensen treft’. We gaan het binnenkort in het Leerhuis bespreken. U bent welkom als u mee wilt doen. Kushner schrijft: het heeft geen zin om te vragen naar het waarom van het lijden. De waarom-vraag is eigenlijk de vraag naar wie of wat de schuld heeft. Maar het leed wordt niet opgelost of weggenomen door een antwoord op de waarom-vraag. Dat is terugkijken naar het verleden. Laten we oppassen dat we ook niet te gemakkelijk in de rol van de vrienden van Job stappen.
Misschien is een betere vraag dan de waarom-vraag: nu mij dit overkomen is, hoe stel ik mij op naar de toekomst toe, hoe kan ik met mijn leed omgaan en wie kan mij daarbij helpen?
God kan ons helpen om kracht te vinden om leed te doorstaan. God kan ons ook inspireren om anderen te helpen. Want, zegt Kushner, God is net als wij ook verontwaardigd over lijden. En Gods verontwaardiging kan in ons doorwerken, zodat wij gestimuleerd worden om leed te verzachten. Dat is veel vruchtbaarder dan te blijven zoeken naar het waarom.
God heeft ons, onze liefde en toewijding nodig. Hij kan ons kracht geven om te verdragen wat we moeten verdragen, en om te helpen waar we kunnen helpen. Daar mogen we om bidden.
Amen.
